Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF1180

Datum uitspraak2008-09-17
Datum gepubliceerd2008-09-18
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/2154 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.


Uitspraak

06/2154 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 maart 2006, 05/4402 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 17 september 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. C.A. Willemsen-de Vries, advocaat te Alphen aan den Rijn, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Namens appellant zijn stukken van diverse aard ingezonden, waarop namens het Uwv - voor zover het medische informatie betreft - door bezwaarverzekeringsartsen is gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2008. Namens appellant is verschenen mr. Willemsen-de Vries, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout. II. OVERWEGINGEN 1.1. Bij besluit van 5 januari 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, met ingang van 1 maart 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 1.2. Bij besluit van 20 mei 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat de belasting in de door de arbeidsdeskundige van het Uwv aan appellant voorgehouden functies past binnen de voor appellant geldende belastbaarheid, neergelegd in de zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst van 26 oktober 2004 en dat appellant met ingang van de in geding zijnde datum, 1 maart 2005, in staat was te achten bedoelde functies te vervullen. 3. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat het door het Uwv verrichte medisch en arbeidskundig onderzoek niet zorgvuldig is geweest en dat de rechtbank ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom in het geval van appellant diens verzoek om benoeming van een onafhankelijke deskundige niet is gehonoreerd. Appellant acht zich per de datum in geding niet volledig arbeidsgeschikt. 4. De Raad overweegt het volgende. 4.1. De Raad ziet geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv met betrekking tot de klachten van appellant en de daaruit voor appellant voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Bij de totstandkoming van hun rapporten hadden deze artsen de beschikking over recente informatie uit de curatieve sector en ook anderszins is de Raad niet tot de conclusie kunnen komen dat deze artsen onvoldoende zorgvuldig onderzoek hebben verricht naar de belastbaarheid van appellant. Door appellant zijn in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de door de bedoelde verzekeringsartsen vastgestelde medische beperkingen. De namens appellant ingezonden informatie betreffende de toepassing van de Wet sociale werkvoorziening kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen, nu deze betrekking heeft op een ander wettelijk kader dan de WAO en daarnaast dateert van bijna een jaar na de datum in geding, te weten 1 maart 2005. De overige namens appellant overgelegde medische informatie geeft evenmin aanleiding tot bedoelde twijfel, nu ook deze dateert van ruim na de in geding zijnde datum. 4.2. Mede gelet op het bovenstaande heeft de Raad geen aanleiding gezien een (onafhankelijke) deskundige te benoemen voor nader onderzoek. 4.3. Gelet op de vastgestelde beperkingen is de Raad met het Uwv van oordeel dat appellant per 1 maart 2005 in staat moet worden geacht de hem voorgehouden functies te vervullen. 5. De Raad is mitsdien van oordeel dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. 6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 september 2008. (get.) H. Bolt. (get.) I.R.A. van Raaij. RB